Nieuws

Hoe wordt het huurinkomen van uw tweede verblijf in het buitenland belast?

Hoe wordt het huurinkomen van uw tweede verblijf in het buitenland belast?

Nogal wat Belgen hebben een tweede verblijf in het buitenland. Wie droomt er immers niet van om samen met het gezin wat vakantiedagen door te brengen in een eigen woning onder de warme Spaanse, Franse of Italiaanse zon? En wellicht kunt u dat verblijf ook verhuren, wat extra inkomsten in het laatje kan brengen.
Hoe worden die huurinkomsten belast? <!-more>

Uitgangspunt is dat u de inkomsten uit tweede verblijven in het buitenland moet aangeven in uw belastingaangifte. Als u uw verblijf in het buitenland verhuurt, moet u de werkelijk ontvangen huurinkomsten aangeven. U mag de betaalde belastingen op het vastgoed in kwestie in mindering brengen.

Als u die woning niet verhuurt, moet u de huurwaarde aangeven. Dat is een inschatting van de gemiddelde jaarhuur die u zou kunnen opstrijken mocht u de woning wel verhuren. Ook dan mag u betaalde belastingen op uw verblijf in het buitenland in mindering brengen. ‘Zo aanvaardt de Belgische fiscale administratie dat u bijvoorbeeld de in Frankrijk betaalde ‘taxe foncière’ en ‘taxe d’habitation’ mag aftrekken’, zegt advocaat Wim Vermeulen (Cazimir).

U moet op de buitenlandse huurinkomsten geen belastingen betalen in ons land, tenminste als België met het desbetreffende land een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten. Dat gebeurde met een hele reeks landen. Zo bestaan er dubbelbelastingverdragen met Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland, Zwitserland, Italië en Oostenrijk. Zo’n verdrag bepaalt bijna altijd dat het land waar het tweede verblijf is gelegen, belastingen mag heffen op de inkomsten of de huurwaarde van het pand.

In België zelf wordt u dan niet langer op de huurinkomsten van uw vakantiewoning in Spanje, Frankrijk, Portugal of Italië belast.

Waarom eist de fiscus dat u die inkomsten aangeeft?

Omdat de belastingadministratie die inkomsten wel in rekening mag én zal brengen om de aanslagvoet te bepalen op uw andere (Belgische) inkomsten. Dat maakt niets uit voor wie al een hoog inkomen heeft en al belast wordt tegen het hoogste belastingtarief van 50 procent. Maar het kan een slok op de borrel schelen voor wie daardoor in een hogere belastingschijf terechtkomt en voortaan 50 in plaats van ‘slechts’ 45 procent belastingen op al zijn andere inkomsten moet betalen.

Twee maten?

Vorig jaar struikelde het Europese Hof van Justitie over het feit dat de Belgische wetgever twee maten hanteert. In ons land wordt het onroerend inkomen van een woning vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen. Doorgaans ligt dat kadastraal inkomen, dat steunt op de huurprijzen van 1975, een pak lager dan de werkelijke huurprijzen of de huurwaarde. Dat kan niet, zo oordeelde het Hof van Justitie, als die twee verschillende maatstaven ertoe leiden dat een Belg met een woning in het buitenland meer belastingen moet betalen. Het Hof voegde er evenwel niet aan toe hoe het onroerend inkomen van het verblijf in het buitenland dan wél begroot moet worden.

Een arrest van het hof van beroep in Antwerpen van 2 juni 2015 zegt nu hoe het wel kan voor een verblijf in Frankrijk. Volgens de Belgische rechters moet de Belgische belastingplichtige niet de werkelijke huurwaarde van zijn verblijf in Frankrijk aangeven, maar volstaat het de ‘valeur locative’ te declareren. Die is te vergelijken met het kadastraal inkomen.
‘Een begrijpelijke en aanvaardbare ‘praktische’ beslissing die tegemoetkomt aan de Europese rechtspraak en toch enige rechtszekerheid biedt voor de belastingplichtige’, stelt Vermeulen.
Het arrest van het hof van beroep in Antwerpen is van groot belang, ook al omdat de Belgische wetgever tot nu helemaal niets heeft ondernomen om tegemoet te komen aan de opmerkingen van het Europese Hof van Justitie.

Hetzelfde principe kan worden toegepast op alle Belgen met een tweede verblijf in Spanje. Ook daar bestaat immers een maatstaf die kan worden vergeleken met het kadastraal inkomen in België (de zogenaamde ‘valor catastral’). ‘Maar het probleem daar is dat het een stuk hoger ligt’, aldus Vermeulen. ‘Omdat het de waarde betreft en niet het inkomen. Maar bij eigen gebruik word je in Spanje belast op een fictief huurinkomen van 2 procent van deze valor catastral, of van 1,1 procent van de kadastrale waarde, indien die werd bepaald sinds 1994. Dit bedrag zou dan kunnen worden gebruikt voor de aangifte in België.’

Italië kent ook een kadastraal huurinkomen (‘rendita catastale’). Het ligt doorgaans lager dan de marktwaarde, zo’n kwart van de verkoopprijs.
Nederland heft onroerende voorheffing op basis van de kadastrale waarde: de zogenaamde ‘Waarde Onroerende Zaak’ (WOZ). Die WOZ leunt tamelijk dicht aan bij de marktwaarde/verkoopprijs.
Voor de landen waar er niet zoiets bestaat als een kadastraal inkomen of kadastrale waarde is er nog geen praktische oplossing. Bovendien wordt het ki niet in alle landen op dezelfde manier ingevuld. ‘Daardoor blijft de praktische oplossing onvermijdelijk tot verschillen leiden in de fiscale behandeling van Belgische en buitenlandse onroerende goederen’, besluit Vermeulen. ‘Een technisch correcte oplossing zou zijn dat de Belgische administratie aan elk buitenlands onroerend goed een Belgisch ki toekent, maar dat is in de praktijk onmogelijk.’
‘De Belgische regering staat dus voor de moeilijke uitdaging om een correcte oplossing uit te werken. De vraag is echter of ze de moed vindt een volledig nieuwe fiscaliteit te ontwerpen voor de taxatie van onroerende inkomsten. Mogelijk blijft de door het hof van beroep in Antwerpen gekozen oplossing de weg die nog jarenlang zal worden bewandeld.’

Bron : De Tijd (Netto)